Sprinkhanen van vernietiging

Scripture – Openbaring 9 – “En de vijfde engel blies op de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen. En hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven.


En hij opende de put van de afgrond, en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven. En de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put.

En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben. En tegen hen werd gezegd dat ze geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, of welke groene plant of welke boom dan ook, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden.

En hun werd macht gegeven, niet om hen te doden, maar om hen te pijnigen, vijf maanden lang. Hun pijniging was als de pijniging door een schorpioen, wanneer hij een mens steekt. En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten.

En de sprinkhanen zagen eruit als paarden die voor de oorlog gereedgemaakt zijn. En op hun koppen droegen zij kransen als van goud, en hun gezichten leken op gezichten van mensen. En zij hadden haar als haar van vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. En zij hadden borstharnassen van ijzer, en het geluid van hun vleugels was als het geluid van wagens met veel paarden die ten strijde snellen. En zij hadden staarten die leken op schorpioenen, en er zaten angels aan hun staarten. En zij hadden de macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang.

En zij hadden een koning over zich, de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.

Het ene wee is voorbijgegaan. Zie, nog twee weeën komen hierna.” (:6-13, HSV)

Observation – Waar de vorige vier oordelen voornamelijk de natuur troffen, zijn vanaf deze bazuin, dit oordeel, de mensen slachtoffer. De vijfde bazuin en het vijfde oordeel doen denken aan de achtste plaag in Egypte en aan Joël 1 en 2
Er valt een ster uit de hemel op aarde. Zo’n gebeurtenis doet vaak denken aan meteoren, maar omdat in vers 1 en 2 sprake is van persoonlijke trekken, zullen we hier te maken hebben met een bovennatuurlijk wezen, een engel. En vallende sterren duiden vaak op demonen, soms zelfs de satan (vergelijk Lukas 10:18). We denken daarom bij deze engel aan de “engel van de afgrond” in vers 11. De afgrond (Gri. “abussos“, diepte, afgrond, onderwereld; herkenbaar is het engelse woord ‘Abys’) is in het Nieuwe Testament het domein van de demonen. We zullen in hoofdstuk 11 ook zien dat “het beest” uit deze afgrond opkomt, en dat uiteindelijk de duivel hierin wordt opgesloten.
De gevallen ster, die dus een boze macht vertegenwoordigt, opent met de sleutel die hij ontvangt, de put van de afgrond. Deze sleutel was in bewaring bij de Here God. Het feit dat deze sleutel wordt overgedragen staat voor het toelaten van deze plagen. God is hiermee niet de handelende Persoon in het toebrengen van de plaag, maar de Toelatende. De put, waarvan wordt gesproken, staat voor de toegang tot het domein van de demonen, de afgrond. Zodra de afgrond opengaat stijgt er een dikke rook, als de rook van een oven, uit op. De rook verduistert de atmosfeer. Deze verduistering is zowel bij Joël als in Openbaring een teken van het oordeel.
Nu komen er sprinkhanen uit de afgrond tevoorschijn, maar geen ‘gewone’ sprinkhanen. De beschreven wezens staan voor demonen, die in groten getale uit de afgrond over de aarde uitzwermen. Hun leider is een boze macht, zie verderop. Hun gedrag wordt vergeleken met dat van schorpioenen. De steek van de schorpioen is voor mensen zelden dodelijk, maar wel bijzonder pijnlijk.
Naast de volmacht die deze wezens krijgen, krijgen ze ook een beperking opgelegd. Ze mogen geen gras, gewas of boom aantasten. In deze genoemde zaken zijn alle planten vertegenwoordigt, laag, middelhoog en hoge planten. En de verzegelden, die het teken van God op hun voorhoofd hebben zijn ook uitgesloten van deze plaag. Hieruit blijkt dat in deze plaag de duisternis juist haar eigen kinderen treft.
De plaag bestaat erin dat de wezens de mensen (dus met uitzondering van de verzegelden) gedurende vijf maanden – dat is ook de ‘normale’ levensduur van een sprinkhaan – mogen pijnigen. Ook hier wordt een grens gesteld. De grens hier is de dood. Mensen mogen niet worden gedood, hetgeen hun lijden eigenlijk alleen maar groter maakt, want zelfs de dood kan hen dus niet van deze plaag verlossen, hoewel ze die verlossing wel zoeken.
In een paar regels probeert Johannes het uiterlijk van deze wezens te beschrijven met woorden als “ze zagen er uit als paarden” en ze hadden kransen “als van goud” en ze maakten geluid “als van” het geluid van wagens die door veel paarden worden getrokken. Je voelt Johannes tasten naar woorden die kunnen beschrijven wat hij ziet. Hij beschrijft zijn visioen met duidelijke beelden die zo goed mogelijk aansluiten bij wat hij ziet. Duidelijk is dat het om demonische machten gaat.
Hoewel gewone sprinkhanen geen leider hebben, hebben de hier beschreven demonische machten wel een leider. Deze wordt aangeduid als “de engel van de afgrond“. Deze term komt in de Bijbel nergens anders voor. Wel vinden we deze naam in de Joodse literatuur, onder andere in de Dode-Zeerollen (4Q280). waar het een aanduiding voor de satan is. Omdat Johannes in deze tekst ook het lidwoord gebruikt mogen we aannemen dat bij de lezers deze term bekend was, waardoor we mogen concluderen dat het ook hier om de satan gaat. 
De naam van de koning van deze sprinkhanen wordt hier ook genoemd, in het Hebreeuws, Johannes’ moedertaal luidt deze “abaddōn“, wat letterlijk “vernietiging” betekent. Deze term wordt ook wel gebruikt als aanduiding voor de “sje’ol”, dat is de hades, of het dodenrijk.
Daarna wordt deze naam voor de Griekse lezers, voor wie bovenstaande misschien minder bekend was, uitgelegd met het Griekse woord “apōleia“, vernietiging, en maakt hier een eigennaam van “Apollyon“, en maakt er zo “verwoester“, “verderver” van, de verpersoonlijking van de vernietiging. De Romeinse keizers vergeleken zich graag met Apollo, wiens naam ook van hetzelfde werkwoord kwam. Daarmee is deze door Johannes gekozen naam wellicht een bewuste verwijzing naar Apollo en daarmee naar de Romeinse keizer.
Het vijfde “wee” is voorbij, er komen er nog twee.
Application – De Here Jezus heeft alle macht (Mattheüs 28:18) en ook heeft hij de sleutels (Openbaring 1:18). Hij heeft de boekrol van het heilsplan van God overgenomen (Openbaring 5:7) en de uitvoering ervan op Zich genomen (Openbaring 8:1). Nu oefent Hij de aan Hem gegeven macht uit door de sleutel van het dodenrijk voor een gecontroleerde tijd aan de satan over te dragen. 
De macht blijft aan de Here Jezus, Hij stelt grenzen aan de omvang en aan de tijdsduur van het lijden dat mag worden toegebracht! De verschrikkingen zullen komen, maar Jezus heeft alles in Zijn hand!
Prayer – Vader dank U wel dat U alles in Uw handen hebt, maar dan ook alles! Ook de omvang en de duur van de oordelen die zullen komen. Dank U Heer dat U deze door Johannes hebt laten opschrijven. Wil ons de weg wijzen Heer om, net als hij, tastend onze weg er in te vinden om te zien of er zaken beschreven zijn die voor ons dagelijks leven relevant en toepasbaar zijn. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.